Voorbeeld maandbegroting

Elke student heeft natuurlijk maandelijks inkomsten en uitgaven. Zowel de inkomsten als de uitgaven zullen van ontzettend veel dingen afhangen. In dit artikel zullen wij een beraming van de gemiddelde inkomsten en uitgaven maken. Hierbij wordt waar nodig het onderscheid tussen de uitwonende en de thuiswonende student gemaakt.

Uitgaven

Uit onderzoek van het OCW/ITS is gebleken dat een gemiddelde Nederlandse student het volgende uitgavenpatroon heeft. (Cijfers zijn bijgesteld aan inflatie):

Student uitwonend:
  • €340,- aan huisvesting (incl. gas/water/licht)
  • €200,- aan boodschappen
  • €45,- aan de kosten voor studieboeken
  • €40,- per maand aan vervoer, naast de OV-kaart
  • €100,- aan ontspanning, uitgaan en sport
  • €100,- aan kleding
  • €140,- aan collegegeld
  • €100,- aan verzekeringen

  • Op maandbasis betekent dit dus eengemiddelde totale uitgave van €1065,-

    Student thuiswonend:
  • €45,- aan de kosten voor studieboeken
  • €40,- per maand aan vervoer, naast de OV-kaart
  • €100,- aan ontspanning, uitgaan en sport
  • €140,- aan kleding
  • €140,- aan collegegeld
  • €90,- aan verzekeringen

  • Op maandbasis betekent dit dus een gemiddelde totale uitgave van €555,-

    Inkomsten

    Er zijn twee inkomstenbronnen die vrijwel alle studenten hebben. De eerste is de basisbeurs. De hoogte van deze basisbeurs hangt af van het feit of de student thuiswonend (€93.29) of uitwonend (€259.76) is. De tweede bron is de zorgtoeslag die vrijwel alle studenten van de overheid krijgen (voor het jaar 2010 vastgesteld op €61,-).

    Buiten deze twee posten zijn er nog andere inkomsten die studenten hebben. Deze zijn grofweg te verdelen in 4 posten:
    1. Werken
    2. Lenen
    3. Financiλle steun van ouders/familie
    4. Overige inkomsten, bijvoorbeeld inkomsten uit interest, inkomsten uit beleggen etc.

    Overzicht studenten die lenen/werken. Bron: studentenmonitor 2008

    UitwonendThuiswonend
    Studenten met werk66%72%
    Studenten met lening71% 63%

    Wie betaalt?

    De Overheid ziet drie partijen die allen ongeveer een derde van de studie bekostigen:
    1. De Overheid, zij betaalt onder andere de studiefinanciering.
    2. De student zelf, dit kan door middel van een bijbaan maar ook door middel van een lening.
    3. De ouders van de student, zij kunnen de student een maandelijkse toelage geven maar bijvoorbeeld ook de boeken en/of huur betalen.
    Praktijkvoorbeeld: uit de studentenmonitor 2008 kwamen de volgende inkomsten van een gemiddelde hoger onderwijsstudent naar voren:
    Beurs: €170,-
    Lening: €365,-
    Ouders: €144,-
    Arbeid: €335,-
    Overig: €202,-
    Totaal:€1072,-